Wietplantage thuis reden voor ontslag Een werkgever diende een voorwaardelijk verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst in bij de kantonrechter. Het verzoek was gedaan voor het geva... Kamervragen korting pensioenen De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over de mogelijke korting van pensioenen beantwoord. Door de aanhoudend lage rente ... Aanpassing wetsvoorstel Verhoging pensioenrichtleeftijd De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een reactie op een brief van het Verbond van Verzekeraars enkele aanpassingen van het wetsvo... Meer nieuws >>>
Gelieerde partijen moeten met elkaar handelen alsof zij onafhankelijke derden zijn. Dat betekent dat zij zakelijke voorwaarden en zakelijke prijzen moeten hanteren bij onderlinge transacties. Doen zij dat niet, dan kan de belastingdienst correcties aanbrengen op de winst.
Een BV verhuurde een bedrijfspand aan een gelieerde stichting. De activiteiten van de stichting werden hoofdzakelijk verricht door de aandeelhouders van de BV. De stichting was niet in staat om de overeengekomen zakelijke huur te betalen. De schuldig gebleven huur werd omgezet in een rekening-courantvordering. De stichting verstrekte geen zekerheden en was niet tot aflossing verplicht. Volgens de huurovereenkomst had de BV recht op een rentevergoeding van 1% per maand over schuldig gebleven huurtermijnen. Over de rekening-courantvordering werd een rente van 5% per jaar berekend. Sinds 2002 verkeerde de stichting in financiële problemen. De BV wilde in 2003 de vordering op de stichting ten laste van de winst afwaarderen.
Naar het oordeel van Hof Amsterdam was de lening in rekening-courant onzakelijk omdat de BV daarmee een debiteurenrisico op zich had genomen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben geaccepteerd. De vordering was opgelopen van € 18.000 in 2000 tot € 78.000 per ultimo 2001 en tot € 224.000 per 31 december 2003. De exploitatieresultaten van de stichting waren in toenemende mate negatief. Ook het eigen vermogen van de stichting was negatief.
Het hof vond dat de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt dat de BV het debiteurenrisico op zich had genomen om het belang van haar aandeelhouders te dienen. Het geclaimde afwaarderingsverlies kwam niet in mindering op de winst van de BV.